|
|
![]() ![]()
|
|
Het Chanoeka-verhaal In het jaar 168 vóór de gewone jaartelling is het joodse land bezet door het Syrisch-Griekse leger. De Syrisch-Griekse koning Antiochus IV laat de Tempel plunderen en Joden massaal vermoorden, en hij verbiedt het aanhangen van het Jodendom. In het jaar 167 v.d.g.j. beveelt Antiochus dat van de Tempel een Hellenistisch heiligdom van de griekse god Zeus moet worden gemaakt, met een afgodsbeeld in het Heiligste der Heiligen en met varkensoffers op het altaar. Ook stuurt hij Hellenistische priesters met soldaten naar alle steden en dorpen: daar moeten zij de plaatselijke bevolking dwingen te buigen voor een beeld van Zeus en varkensvlees te eten. Hij wil zo het Jodendom uitroeien door iedereen te bekeren tot het Hellenisme. Wie weigert te gehoorzamen, wordt vermoord. In het dorpje Modie’íen, in de eerste bergen tussen de kustvlakte en Jeruzalem, wordt de hele bevolking opgeroepen naar het dorpsplein te komen. Daar moet men één voor één buigen voor het afgodsbeeld en eten van een schaal met varkensvlees. Wanneer Mattitjáhoe aan de beurt is, doodt hij de man die hem wil dwingen onze God van Israël te verloochenen. Zijn zoons doden de soldaten en zij verenigen de mannen van hun dorp en beginnen een verzetsgroep. De onderdrukking van de joodse bevolking wordt steeds harder en meer en meer mannen sluiten zich aan bij Mattitjáhoe en zijn zonen. Zij voeren een guerilla-oorlog: met kleine eenheden verplaatsen zij zich bliksemsnel door het berggebied dat zij zo goed kennen en overal vallen zij de bezettingsmacht aan. Langzaam groeit hun succes en zij slagen erin steeds meer delen van het land te bevrijden van de bezetter. De oudste zoon van Mattitjáhoe is hun legeraanvoerder en hij vecht voorop met een strijdhamer. Hij werd ‘Jehoedá de Hamer’ genoemd: Jehoedá ha-makkabíe. Zijn volgelingen werden ‘de makkabíem’ genoemd. Het leger van de Makkabíem groeit en overal waar de strijders komen, worden zij gevoed en verzorgd door de plaatselijke bevolking. Zij zijn uiteindelijk zo krachtig dat zij hele veldslagen voeren met het Hellenistische leger en die keer op keer winnen. In het jaar 165 v.d.g.j. veroveren de Makkabíem Jeruzalem en zij bevrijden de Tempel. Jehoedá wordt koning: het koningshuis der Chasjmona’íem ontstaat. Het heiligdom is in een vreselijke staat: veel is kapot, bijna alle Tempelritualia zijn gestolen en het is er vreselijk vuil. Jehoedá laat de Tempel grondig schoonmaken en laat noodreparaties uitvoeren. Het altaar, dat verontreinigd is met varkensbloed en –vet, laat hij afbreken. Onder de leiding van de Hogepriester bouwen opgeroepen Kohaníem – priesters – een nieuw altaar. Daarna halen de kohaníem de Ark van het Verbond, met daarin de Stenen Tafelen, uit de geheime bergplaats in de berg, en plaatsen die achter de voorhang in het Heiligste der Heiligen. Als dan alles weer bruikbaar is, willen de Kohaníem de Tempel herinwijden door het licht in de Menorá, dat voortdurend hoort te branden, te ontsteken. Helaas is er nog maar één kruik gewijde olie in voorraad, en dat is genoeg voor hooguit één dag licht, terwijl het wel acht dagen zal duren voor er nieuwe olie zal zijn bereid op de voorgeschreven wijze. De Hogepriester besluit desondanks de inwijding niet uit te stellen en bij het vallen van de duisternis in de vooravond van 25 Kislèv schijnt er weer licht uit de Tempel. De inwoners van het bevrijde Jeruzalem zijn zo blij, dat ook zij bij de deuren van hun huizen lampen aansteken, en zo gloeit en glinstert die nacht de hele stad! En dan geschiedt een wonder: de volgende avond zou het licht in de Menorá uit moeten gaan, want de olie zou immers op moeten zijn? Maar het licht blijft branden: zeven vlammen branden in totaal acht dagen op olie voor één dag. De Tempel straalt onafgebroken licht uit! En zo zou het ook in onze dagen moeten zijn... Illustratie Eleazár Rokéach was rabbijn van Worms (Duitsland). Hij leefde van 1176 tot 1238 en is simpelweg bekend als ‘Eleazàr van Worms’, of bij kenners als ‘Bà`al ha-Rokéach’ naar zijn vroege werk ‘Ha-rokéach’ – ‘De Apotheker’. Eleazàr was een groot Talmóedgeleerde en een groot mekoebàl (kenner van de Kabbalà). Over chanoeka schreef hij, dat de 36 lichtjes die wij aansteken, staan voor het ‘or ha-ganóez’ – het Verborgen Licht, dat scheen gedurende de eerste 36 uur van de schepping. Adàm zag dit bovenaardse licht ook nadien nog, en het stelde hem in staat te kijken tot in de vier hoeken der Aarde. Dit wil zeggen: Adàm had bovenaards inzicht in de schepping. Chanoeka vieren wij in de maand KiesLèV– Kies Làmed Vav – Verborgen dertig zes… Het Or ha-ganóez was het scheppingslicht, het licht waarin de Alomtegenwoordige zich openbaarde in de schepping. Het is licht dat openbaart: dat alles duidelijk en bekend maakt. De Eeuwige verborg dit licht om het te bewaren voor de Rechtvaardigen, die bij dat licht het einde der tijden zullen zien, alsook het begin der tijden. Chanoeka herinnert ons eraan, dat er meer is dan deze wereld, meer ook dan de schepping. De Alomtegenwoordige bestaat in èn rond de schepping: Hij is groter dan de schepping en de schepping is in Hem. Maar het is niet genoeg te WETEN dat God er is: Zijn bestaan moet onlosmakelijk onderdeel zijn van ons bewustzijn en Zijn liefde en Zijn barmhartigheid moeten een bron van warmte zijn diep in onze ziel. God is niet alleen maar in en rond de schepping: niet alleen de schepping-als-geheel heeft een relatie met de Schepper, maar ieder van ons heeft een persoonlijke relatie met Hem. Chanoeka is niet alleen de herdenking van de herinwijding van het Tempelgebouw, maar ook het opnieuw doen opflakkeren van onze relatie met ons Koning. Immers: in ieder van ons schuilt de religieus-gevoelige en spirituele Jood, de ‘pientele jid’, maar hij moet wel regelmatig gewekt worden… Bij de viering van chanoeka moet de wonderbaarlijke bevrijding van de Tempel ons er aan herinneren, dat de hele geschiedenis van ons volk bestaat uit wonderen van redding en herstel. En dat ons individuele leven bestaat uit een aaneenschakeling van wonderen, voor ieder van ons keer op keer verricht door de God van Israël. |
|
Het ritueel In de chanoekiá - de achtarmige kandelaar - plaatsen wij de kaarsen voor deze dag van rechts naar links. Voor de 1e dag 1 kaars, voor de 2e dag 2 kaarsen enzovoorts. We ontsteken een extra kaars (de 'sjammásj') waarmee we zo dadelijk de kaarsen voor deze dag zullen aansteken. We zeggen de brachót - zegenspreuken - voor het aansteken: 02 brachót ha-nerót - bij het aansteken van de kaarsjes |
|
Luister hier naar het traditionele 'Maoz Tsoer'
|
|
Luister hier naar 20 chanoeka-liedjes 01 maoz tsoer |